Ze dronken gulzig uit hun lippen bedrogen woorden. De geur van het geheugen hing hoog nog in de bloesemende bomen. Toen zij roekeloos reeds een ander in de ogen keek. De kerselaren hingen breed als een verrimpeld bruidskleed over vervlogen dagen. Nog even leken haar armen te aarzelen voor zij in de spiegel staarde. Gebroken wit en rood van kersen was alles wat haar ogen zagen.
|